Van hoog uit de lucht


           

Mijn wieg heeft er gestaan.

Ik leerde er lopen, steppen en fietsen,

mijn eerste snoep kopen, in dat

kleine winkeltje, van die kleine mensen,

gespecialiseerd in kleine kinderen wensen.


De verhalen van mijn vader plaveiden het pad,

van mijn eerste ontdekkingsreizen

naar de binnenstad, de rivier, de brug,

de spoordijk, het spoor,

Een dubbeltje op de rails,

dat had de trein toch niet door.


Springen over sloten.

Voetballen in de wei.

Salamanders vangen: de sloot in een teil.

Een nat pak, een winkelhaak, groot verdriet.

Littekens uit de kinderjaren, maar die schrijnen toch niet.


En hij heeft alles bekeken,

ook al voor ik werd geboren

Hij heeft alles gezien,

Van hoog uit de lucht, als een grote klucht,

            zonder oordeel en tijdloos, zonder ogen en oren

Onze toren.


En als ik nu kijk, wat is er dan nog,

tussen hi-tech gebouwen, het blik en haar smog,

parkeermeters, rotondes, supers, fabrieken,

Shoarma’s en pizza’s en Egyptische Grieken.

Dan vraag ik mij af, zijn ze anders of stuk,

die plekken van ongestoord kindergeluk?


En hij staat alles te bekijken,

zonder zich aan iets te storen

En hij kan alles zien,

van hoog uit de lucht, als een grote klucht,

zonder oordeel en tijdloos, zonder ogen en oren,

Onze toren.


            hij kan verhalen van rampspoed en geluk,

van blijdschap en verdriet, van Janus en Griet,

maar hij blijft daar onaangedaan stilletjes staan

en ziet ons allen komen en gaan.


zo vaak heb ik naar hem gekeken, wel tienduizend keer misschien

en als ik terugkwam van een reis, er naar verlangd hem weer te zien.